Numismatic.be
Munten verzamelen in België
Home EuroGeschiedenisVerzamelen Over onsContact
Euromunten · Muntgeschiedenis · Verzamelen
Numismatic .be
Euromunten, oude munten uit de Zuidelijke Nederlanden en praktische raad voor verzamelaars
Home › Verzamelen › Numismatische woordenlijst: de termen van de muntverzamelaar
Verzamelen · Basis

Numismatische woordenlijst: de termen van de muntverzamelaar

Numismatische woordenlijst: de termen van de muntverzamelaar

Wie begint met munten verzamelen, botst al snel op een eigen vocabulaire. Catalogi, veilingen en handelaars spreken over avers en revers, over munttekens en oplagen, over ZF en FDC. Deze woordenlijst zet de belangrijkste termen op een rij, alfabetisch, met een korte uitleg.

A tot F

Afslag – Een munt die opnieuw geslagen is met originele of nagemaakte stempels, na de officiële periode van uitgifte. Niet te verwarren met een vervalsing, maar ook geen originele munt.

Avers – De voorzijde van een munt, meestal de zijde met het portret of het wapen van de uitgever. Bij euromunten wordt de nationale zijde vaak als voorzijde beschouwd.

Beeldenaar – Het afgebeelde motief op een munt, in het bijzonder het portret van een vorst.

BU (Brilliant Uncirculated) – Munten die met extra zorg zijn geslagen en nooit in omloop zijn geweest, vaak verkocht in jaarsets.

Contactsporen – Kleine deukjes en krasjes die ontstaan wanneer munten in zakken of zakjes tegen elkaar botsen, ook bij munten die nooit in omloop waren.

Dubbele slag – Een misslag waarbij de munt twee keer, licht verschoven, door de stempel is geraakt, zodat details dubbel zichtbaar zijn.

Edelmetaalgehalte – Het aandeel goud of zilver in de legering, uitgedrukt in duizendsten. Een munt in 900/1000 zilver bevat 90 procent zilver.

Etui – De officiële doos of houder waarin een verzamelmunt wordt verkocht, vaak met een certificaat.

FDC (fleur de coin) – De hoogste kwaliteitsgraad: geen enkele slijtage, volle muntglans. Zie kwaliteitsgraden.

Fraai (F), Zeer fraai (ZF) – Kwaliteitsgraden voor munten met matige tot lichte slijtage.

G tot M

Gedenkpenning – Een penning die ter herinnering aan een gebeurtenis of persoon is geslagen. Geen betaalmiddel.

Gehalte – Zie edelmetaalgehalte.

Herdenkingsmunt – Een munt die ter gelegenheid van een gebeurtenis wordt uitgegeven en wel wettig betaalmiddel is, zoals de herdenkingsmunten van 2 euro.

Jaarset – Een officiële set met alle munten van een land uit een bepaald jaar, meestal in BU- of proofkwaliteit.

Kartelrand – Een rand met fijne groefjes, oorspronkelijk bedoeld om het afknippen van edelmetaal te voorkomen.

Legende – Het omschrift op een munt: de tekst langs de rand van de beeldzijde, bijvoorbeeld de naam en titels van de vorst.

Misslag – Een toevallige fout bij het slaan van een munt: scheef geslagen, verschoven kern, ontbrekend reliëf. Zie het randschrift en de varianten.

Muntglans – De typische glans van een ongecirculeerde munt, die ontstaat door de manier waarop het metaal in de pers vloeit.

Muntmeesterteken – Een klein teken dat aangeeft onder welke muntmeester een munt geslagen werd.

Muntplaatje – Het ronde metalen schijfje waarop de munt geslagen wordt, voor het slaan.

Muntteken – Een letter of teken dat aangeeft in welk munthuis een munt geslagen werd, zoals de letters A, D, F, G en J op Duitse munten.

N tot R

Noodgeld – Geld dat in tijden van crisis door gemeenten, banken of bedrijven werd uitgegeven omdat het gewone geld schaars was, zoals in België tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Nominale waarde – De waarde die op de munt staat, los van de metaalwaarde of de verzamelwaarde.

Oplage – Het aantal exemplaren dat van een munt is geslagen. Een lage oplage maakt een munt vaak zeldzamer.

Patina – Het natuurlijke laagje dat zich met de tijd op een munt vormt, vooral op koper en brons. Laat het zitten. Zie munten reinigen.

Penning – Een muntvormig object zonder functie als betaalmiddel: gedenkpenning, prijspenning, legpenning.

Piedfort – Een munt die op een dikker plaatje is geslagen dan normaal, meestal als bijzondere verzameluitgave.

Proof – Een slagwijze met gepolijste stempels, die een spiegelend veld en matte figuren oplevert. Ook PP genoemd.

Randschrift – Tekst of versiering op de rand van een munt, zoals op de munt van 2 euro.

Rekenmunt – Een rekeneenheid die in de boekhouding werd gebruikt, maar niet noodzakelijk als munt bestond, zoals het pond in de middeleeuwen.

Reliëf – De verhoogde delen van de muntafbeelding.

Revers – De keerzijde van een munt, meestal de zijde met de waarde.

S tot Z

Schatvondst – Een verzameling munten die samen verborgen en later teruggevonden werd. Voor historici een belangrijke bron.

Slab – Een verzegelde plastic houder waarin een gecertificeerde munt met haar kwaliteitsgraad wordt bewaard.

Starterkit – Een zakje munten dat vlak voor de invoering van de euro aan het publiek werd verkocht.

Stempel – Het gehard stalen werktuig met het negatief van de afbeelding, waarmee de munt wordt geslagen.

Toning – De verkleuring van zilveren munten door de tijd, van lichtgoud tot regenboogtinten.

Type – Een munt met een bepaald ontwerp, los van het jaartal. Een verzameling „per type” bevat één exemplaar van elk ontwerp.

Variant – Een munt waarvan binnen hetzelfde jaar en land meerdere uitvoeringen bestaan, door een wijziging van de stempel.

Veld – Het vlakke deel van de munt, tussen het reliëf.

Vervalsing – Een munt die nagemaakt is om te misleiden, als betaalmiddel of als verzamelobject.

Wettig betaalmiddel – Geld dat een schuldeiser verplicht is te aanvaarden. Verzamelmunten zijn vaak wettig betaalmiddel, maar worden niet zo gebruikt.

Meer praktische raad vind je in onze verzameltips.

Dit artikel kan partnerlinks bevatten. Die hebben nooit invloed op wat we schrijven.